Het testament van Napoléon I is één van de meest precieuze documenten van de Franse geschiedenis. Sinds 1860 is het 58 pagina’ s tellende geschrift veilig opgeborgen in het IJzeren Kabinet van het Nationaal Archief in Parijs. Momenteel is een bladzijde daarvan (gratis) te bekijken in l’ Hôtel de Soubise.

Handgeschreven testament
Napoléon is verbannen naar Sint-Helena, een eiland onder Brits beheer. Hij voelt zijn krachten afnemen en besluit zijn testament op te stellen. Tussen 15 en 27 april 1821 dicteert hij zijn laatste wensen aan zijn kamerheer, graaf de Montholon; daarna schrijft hij alles over. Eigen handschrift is noodzakelijk opdat het testament geldig zou zijn volgens de Franse wetgeving bij afwezigheid van een notaris. De gewezen Franse keizer fatsoeneert zelfs zijn ongeregeld handschrift. Het testament mag niet in Britse handen vallen. Als afleidingsmanoeuvre stelt Napoléon een ongenummerd codicil op, te zien in de eerste glazen kast van de expositie. Hij duidt Montholon, Bertrand en Marchand aan als executeurs; bankier Laffitte beheert het testament. Het zal hen allemaal geen windeieren leggen. Naast financiële en praktische regelingen staan er ook filosofische bedenkingen in van een man die ‘la gloire’ hoog in het vaandel draagt.

Deze zinnen uit zijn omvangrijke laatste wil, springen uit de tekst.
“De dood is niets; maar verslagen en zonder glorie leven is elke dag sterven.”
“Ik verlang dat mijn as rust aan de oevers van de Seine, te midden van dit Franse volk dat ik zo heb liefgehad.”
De eenzame en uitgeputte veldheer sterft, kort na het schrijven van zijn testament op 5 mei 1821, heel waarschijnlijk een natuurlijke dood. Van die laatste wilsbeschikking is niet veel terechtgekomen. Hij rust nu in het praalgraf in de Dôme des Invalides.
De uitvoering van het testament
De executie van zijn testament is complex en zal veertig jaar aanslepen. Privégelden wil de gewezen keizer verdeeld zien tussen o.a. de voormalige militairen en de Franse steden die hadden geleden onder de geallieerde invasies in 1814 en 1815. Maar tegen de uitvoering ervan zijn sommige gerechtigden reeds overleden en is al veel geld verdwenen. Hij aarzelt ook niet kwistig geld uit te delen dat er niet is, maar waarvan hij vindt dat de staatskas hem dat is verschuldigd. Op de lijsten van de inventaris staan eveneens waardevolle spullen zoals zilverwerk, porselein, wapens en zelfs kleding vermeld. Zijn tienjarige zoon, gebombardeerd tot koning van Rome, is uiteraard een belangrijke erfgenaam en aan hem schenkt Napoléon ook zijn verzameling boeken. Deze zoon, Napoléon II, overlijdt op 21-jarige leeftijd aan tuberculose. Louis-Napoléon Bonaparte III, de neef van Napoléon I, sluit in 1860 de erfeniskwestie af en laat alle documenten opbergen in het IJzeren Archief waar ze nu nog rusten. Voor deze gelegenheid mag het publiek enkele bladzijden aanschouwen in Hôtel Soubise in de Marais, een majestueus gebouw, op zich al een bezoek waardig.

Le musée des Archives nationales – L’hôtel de Soubise – 60, rue des Francs-Bourgeois – 75003 Paris. Tot 29 juni 2026. ma.-vrij. 10 tot 17.30 u en za.-zo. 14 tot 17.30 u (vanaf 1 april). Gesloten op dinsdag. Gratis toegang.
Tekst & Foto’s : Chris Rachel Spatz
