Tekst en foto’s: Chris Rachel Spatz
Aan de Seine vlakbij de Eiffeltoren is sinds 2006 het Le musée du quai Branly – Jacques Chirac gevestigd. Een nieuw museum dat voortgekomen is uit Musee d’Afrique et Oceanie met een enorme collectie koloniale kunst eb kunstvoorwerpen van over de hele wereld. Musée du Quai Branly heeft dit voorjaar de ex[ositie 1913-1923 : l’esprit du temps .
Van etnografisch voorwerp tot kunstwerk
Het decennium 1913-1923 vormt een kantelperiode bij de erkenning dat Afrikaanse en Oceanische objecten ook waardevolle kunstwerken kunnen zijn. Kunstenaars, kunsthandelaars, avant-garde intellectuelen, later aangevuld door verzamelaars, zullen door het aanvaarden, verhandelen en introduceren van deze creaties de esthetische normen onderste boven gooien en de conventies van de westerse kunst doorbreken. De tentoonstelling speelt in op die verandering.
Montparnasse
In Parijs speelt alles zich af in de wijk Montparnasse waar in het tweede decennium van de 20ste eeuw zowat alle avant-garde kunstenaars ter wereld geconcentreerd leven en werken. Pablo Picasso heeft daar waarschijnlijk zijn eerste Afrikaanse objecten gekocht van Émile Heymann, een handelaar in ‘wilde wapens en sculpturen’ aan de rue de Rennes, terwijl hij een paar straten verder het portret schildert van de Amerikaanse dichteres Gertrude Stein. Matisse heeft daar al in 1907 een Vili-beeldje van Congo verworven, dat hij tot onderwerp maakt van een van zijn schilderijen. De Hongaar, Joseph Brummer, een leerling van Matisse opent in 1911 een tweedehandswinkel van Afrikaanse kunst aan de Boulevard Raspail. Andere Oost-Europese kunstenaars tonen eveneens interesse en al dat kunstzinnige volkje ontmoet elkaar in het nog steeds bestaande Café du Dome..
Sleutelfiguur Paul Guillaume In 1912 introduceert Guillaume Apollinaire de jonge Paul Guillaume, die een beroemde galeriehouder zal worden. Zijn commerciële gevoel, naast dat voor waardevolle voorwerpen uit Afrika en Oceanië, maken hem tot de nummer één in het vak. Bovendien zijn er op dat moment weinig concurrenten, mede door de oorlogssituatie. De oorlogsjaren worden gekenmerkt door drie essentiële momenten in Paul Guillaumes carrière. In 1914 opent hij een galerie aan de rue de Miromesnil en levert zo’n twintigtal werken aan de 291-galerie in New York. In 1916 luistert wie niet vecht aan het front naar de muziek van Erik Satie en de gedichten van Jean Cocteau in een tentoonstelling van avant-garde schilders en Afrikaanse en Oceanische sculpturen in een studio in Montparnasse, ingericht door Guillaume. In 1917 en 1918 publiceert hij samen met Apollinaire een luxueus boek met een oplage van 63 exemplaren, Sculptures nègres, bestaande uit 24 platen met foto’s gelamineerd met klassieke werken uit Afrika en Oceanië. Het jaar daarop verschijnt het eerste nummer van zijn tijdschrift Les Arts à Paris. In 1919 organiseert Guillaume de ‘Eerste tentoonstelling van Negro-kunst en Oceanische kunst’ in de Devambez-galerie. Zijn ontmoeting met Dr. Albert Barnes, een Amerikaanse verzamelaar, zal zijn reputatie ook overzee bevestigen.
De interesse breidt zich uit
Er volgen tentoonstellingen van niet-westerse antieke kunst en avant-gardische schilderijen. In 1923 wordt de tentoonstelling ‘Inheemse kunst van de Franse koloniën en het Belgische Congo’ gepresenteerd in het Pavillon de Marsan in het Louvre. De betrokkenheid van intellectuelen, dichters en kunsthandelaren waaronder ook Joseph Brummer en Charles Vignier en avant-garde kunstenaars zoals Vlaminck, Derain staat centraal in deze beweging.
Geplaatst in de context van de tijd
Zijn de wereldtentoonstellingen in Parijs een poort waarlangs Afrikaanse kunst Europa bereikt, de erkenning van Afrikaanse kunst had nog een lange weg te gaan. Denk maar aan de ‘Koloniale tentoonstelling’ in Parijs in 1931. Kunstenaars in Parijs, met Matisse en Picasso op kop, zijn pioniers geweest in het erkennen en waarderen van Afrikaanse maskers en sculpturen. Ze hebben ze geïntroduceerd in hun werk. De typische vormen zijn terug te vinden in kubistische en expressionistische werken.
De tentoonstelling L’Esprit du temps situeert geschriften en affiches uit die tijd zorgvuldig in hun historische en sociale context. Termen zoals ‘Negerkunst’ die we nu uit respect niet meer gebruiken, staan tussen aanhalingstekens om aan te geven dat ze verouderd en niet langer acceptabel zijn. Aan de hand van archiefdocumenten, foto’s en sculpturen uit Afrika en Oceanië, belicht de expositie De Tijdsgeest 1913-1923 deze veranderende visie op niet-westerse kunst.
L’Esprit du Temps 1913-1923; Musée du Quai Branly
Tot 20 september 2026.
Elke dag geopend, behalve op maandag.
van 10:30 u tot 19:00 u; donderdag tot 22:00 u.


